De onduidelijkheid over de btw-vrijstelling houdt de gemoederen in pensioenfondsenland al geruime tijd bezig. Montae & Partners volgt de ontwikkelingen op dit gebied nauwgezet en informeert klanten en relaties op regelmatige basis hierover. Hieronder gaan wij in op de onlangs genomen conclusie van de advocaat-generaal (A-G) in een tweetal cassatieprocedures.
De procedures
In oktober 2025 kwam het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Gerechtshof) tot een verrassend oordeel. Een tweetal pensioenfondsen stelden zich op het standpunt dat btw verschuldigd is over de opslag in de premie voor uitvoeringkosten die zij in rekening brengen, zodat zij de door hen betaalde btw aan derde partijen over pensioenuitvoeringsdiensten hiermee kunnen verrekenen. Voor de rest van de premie is naar hun mening de verzekeringsvrijstelling op basis van artikel 11 lid 1 sub k Wet OB wél van toepassing. Het Gerechtshof oordeelde echter dat sprake is van één ongedeelde dienst waarop de verzekeringsvrijstelling niet van toepassing is. Belangrijkste argument van het Gerechtshof was dat bij verplicht gestelde pensioenfondsen de opbouw en uitkering niet afhankelijk mogen zijn van voorafgaande premiebetaling (geen premie, wel recht) en daarmee één van de elementen van een verzekeringsdienst ontbreekt. Als gevolg zou de gehele pensioenpremie btw-belast worden, wat een breuk met de huidige praktijk en het standpunt tot nu toe van de Belastingdienst betekent en vergaande consequenties kan hebben voor de premiehoogte en de uitvoering van pensioenregelingen. In beide procedures is cassatie ingesteld.
De conclusies van de A-G
In deze cassatieprocedures heeft de A-G nu conclusies genomen. De A-G deelt de mening van het Gerechtshof dat sprake is van één ondeelbare prestatie. Het is echter niet buiten gerede twijfel of in het onderhavige geval het element ‘voorafgaande betaling van een premie’ aanwezig kan zijn en daarmee of de verzekeringsvrijstelling van toepassing kan zijn. De A-G stelt dan ook voor de vraag of in geval van ‘geen premie, wel recht’ sprake kan zijn van een verzekeringsdienst, en daarmee een beroep gedaan kan worden op de verzekeringsvrijstelling, voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie (EHvJ). De uitspraak van het EHvJ zou naar de mening van de A-G dan toegepast moeten worden op de gehele premie, niet alleen op de uitvoeringskosten.
Vervolg
Het is aan de Hoge Raad of zij het advies van de A-G volgt. De Hoge Raad kan ook besluiten zelf uitspraak te doen, zonder verduidelijking door het EHvJ. Als er vragen worden gesteld aan het EHvJ kan een antwoord nog een aantal jaar op zich laten wachten. Montae & Partners blijft in ieder geval de ontwikkelingen volgen.



