Aanpassing tweede afkoopmoment wetsvoorstel Bedrag Ineens, RVU en verlofsparen

Aanpassing tweede afkoopmoment wetsvoorstel Bedrag Ineens, RVU en verlofsparen

20/10/2021

Naar aanleiding van gesprekken tussen pensioenuitvoerders en de ministeries van SZW en Financiën over het wetsvoorstel Bedrag ineens, RVU en verlofsparen wordt het wetsvoorstel aangepast. Dit blijkt uit de Kamerbrief van staatssecretaris Wiersma van 12 oktober 2021.  

De aanpassingen zien op het tweede moment voor afkoop van een deel van het ouderdomspensioen (bedrag ineens). Dit tweede afkoopmoment is de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin de AOW is ingegaan  en bestaat naast het eerste afkoopmoment van de pensioeningangsdatum. Het tweede afkoopmoment is geïntroduceerd omdat mensen in het jaar waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken een naar rato oplopende AOW-premie betalen over het bedrag ineens.

Begrenzing doelgroep voor tweede afkoopmoment

In tegenstelling tot het eerdere voorstel gaat het tweede afkoopmoment niet meer voor iedereen gelden. Alleen deelnemers wiens pensioeningangsdatum in de maand waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken ligt of de eerste dag volgend op de maand waarin zij AOW-gerechtigd worden, krijgen het tweede afkoopmoment. Zij krijgen dus de mogelijkheid om het bedrag ineens tot uitbetaling te laten komen in de maand januari (in plaats van februari) van het jaar volgend op het jaar waarin zij AOW-gerechtigd worden. Het doel hiervan is de complexiteit en uitvoeringskosten te verminderen en de begrijpelijkheid voor deelnemers te verbeteren.    

Uitkeringsschema van 90-10-90 (i.p.v. 100-10-90)

Bij een bedrag ineens op het tweede afkoopmoment werd er tot nu toe vanuit gegaan dat het ingegane ouderdomspensioen gelijk zou blijven tot het tweede afkoopmoment. Dit wijzigt. Op het moment van pensioeningang berekent de pensioenuitvoerder welk bedrag ineens tot uitkering moet komen in de (uitgestelde) maand januari. De pensioenuitvoerder zet dit bedrag vast apart en verlaagt het levenslange ouderdomspensioen vanaf de pensioeningangsdatum al direct, dus rekening houdend met de toekomstige uitbetaling van het bedrag ineens. Kort gezegd ziet de uitkeringsstroom dan op 90-10-90: 90% periodieke uitkering ouderdomspensioen, dan 10% bedrag ineens en verder weer 90% periodieke uitkering ouderdomspensioen.

Tussentijdse uitkering bij overlijden

Indien de gepensioneerde deelnemer overlijdt voorafgaand aan de uitbetalingsmaand januari voor het bedrag ineens, doet de pensioenuitvoerder een nabetaling ter hoogte van 100% pensioenuitkering minus de reeds uitbetaalde en al naar maximaal 90% verlaagde periodieke uitkeringen. De nabetaling valt in de boedel van de overledene. Het gereserveerde bedrag ineens als zodanig komt dan uiteraard niet tot uitkering.

Wetsvoorstel tot wijziging

De staatssecretaris gaat naar aanleiding van hetgeen in deze Kamerbrief is aangegeven een wetsvoorstel ter aanpassing van het tweede uitbetalingsmoment (in januari) zoals opgenomen in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen, opstellen. Alleen het onderdeel bedrag ineens van deze wet is nog niet in werking getreden. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het (aangepaste) voorstel is 1 januari 2023.

Bron: Rijksoverheid, 12 oktober 2021