Pensioenrichtleeftijd blijft tot 2041 op 68 jaar volgens wetsvoorstel ‘Wet verandering koppeling AOW leeftijd’

Pensioenrichtleeftijd blijft tot 2041 op 68 jaar volgens wetsvoorstel ‘Wet verandering koppeling AOW leeftijd’

14/8/20

Begin juli van dit jaar heeft minister Koolmees het wetsvoorstel ‘Wet verandering koppeling AOW leeftijd’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit wetsvoorstel is onderdeel van de uitwerking van het pensioenakkoord.

In het wetsvoorstel is geregeld dat er een andere verhouding gaat gelden tussen de stijging van de levensverwachting, de verhoging van de AOW- en de pensioenrichtleeftijd. Voor ieder jaar dat de levensverwachting toeneemt, stijgen deze leeftijden volgens het wetsvoorstel met acht maanden. Op dit moment is de koppeling nog één-op-één, dat wil zeggen dat de AOW- en de pensioenrichtleeftijd beiden met een jaar stijgen voor ieder jaar dat de levensverwachting toeneemt.

Volgens de huidige regels zou de pensioenrichtleeftijd in 2029 naar 69 jaar gaan, maar als de nieuwe wetgeving wordt ingevoerd, gebeurt dit pas in 2047. Voor pensioenuitvoerders is de langzamere stijging van de pensioenrichtleeftijd prettig nieuws. De invoering van het pensioenakkoord houdt hen de komende jaren druk bezig. Ook voor deelnemers geeft het bevriezen van de pensioenrichtleeftijd meer duidelijkheid, stelt de heer Van Soest van LCP. Doordat de AOW-leeftijd wel doorstijgt, komt die steeds dichter bij de pensioenrichtleeftijd. Op dit moment is de pensioenrichtleeftijd in veel gevallen hoger dan de AOW-leeftijd, wat vragen oproept bij deelnemers. Naar verwachting zijn beide leeftijden van 2051 tot 2054 enige tijd aan elkaar gelijk. Daarna stijgt de AOW-leeftijd verder, terwijl de pensioenrichtleeftijd naar verwachting tot 2060 op 69 jaar blijft. Het is nog niet duidelijk wanneer de pensioenrichtleeftijd naar 70 jaar verschuift, omdat de prognoses van het CBS over de levensverwachting lopen tot 2060.

Net als onder de huidige wetgeving is het ook onder de nieuwe wetgeving niet mogelijk dat de AOW- en pensioenrichtleeftijd dalen als de levensverwachting daalt. In de toelichting op het wetsvoorstel is wel vermeld dat, als op termijn sprake zou zijn van een trendbreuk in de ontwikkeling van levensverwachting, er mogelijk een andere systematiek wordt afgesproken.

Pensioenuitvoerders zijn niet verplicht om de genoemde pensioenrichtleeftijden ook toe te passen op de nieuwe opbouw van deelnemers. Ze kunnen lagere pensioenrichtleeftijden hanteren. Dit betekent echter wel dat het opbouwpercentage lager moet zijn dan het toegestane fiscale maximum van 1,875% van de pensioengrondslag. Uitvoerders kunnen ook besluiten de opgebouwde pensioenen waarvoor een lagere pensioenrichtleeftijd geldt, collectief om te zetten naar een hogere pensioenrichtleeftijd. Dit heeft een verhoging van de opgebouwde pensioenaanspraken tot gevolg. Het pensioen stijgt in dat geval, per verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, met circa 5 tot 6%, zo stelt Van Soest.

Bron: PensioenPro

Lees hier het volledige artikelTerug naar Nieuwsoverzicht

Kunnen wij u helpen?

Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter.
Contact