Samenvatting: hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord

Samenvatting: hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord

30/6/20

Inleiding

Op 22 juni 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ‘hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze notitie bevat de hoofdlijnen van de technische uitwerking van het pensioenakkoord. De notitie kent zes bijlagen.

Hieronder leest u onze samenvatting van de belangrijkste onderdelen van de hoofdlijnennotitie, specifiek voor pensioenfondsen.

Kern nieuwe pensioenstelsel

In de kern is sprake van een overstap van nominale zekerheid met een vaste pensioenopbouw naar een premieregeling. De premie en het beleggingsrendement zijn bepalend voor de hoogte van het pensioen.

Een aantal elementen van het huidige stelsel blijft overeind: collectieve uitvoering met handhaving van de huidige verplichtstelling, behoud van solidariteit binnen en tussen generaties en een

fiscale facilitering van een te bereiken pensioen van maximaal 75% van het gemiddelde loon na 40 opbouwjaren.

Er komt een nieuw soort pensioencontract. De verbeterde premieregeling is in de toekomst ook uitvoerbaar voor bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen.

De systematiek van de doorsneepremie vervalt. Alle pensioencontracten gaan uit van een leeftijdsonafhankelijke premie. De pensioenopbouw is leeftijdsafhankelijk en degressief: jonge deelnemers bouwen meer op dan oudere deelnemers. De tijdsevenredige pensioenopbouw is verledentijd. Doel is om over de gehele levensloop hetzelfde pensioen te kunnen opbouwen als nu. Versobering is geen doelstelling. Adequate compensatie van de nadelen van de afschaffing van de tijdsevenredige pensioenopbouw is daarom noodzakelijk.

Tijdpad

Het kabinet wil het wetsvoorstel begin 2021 bij de Tweede Kamer indienen. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2022. Uiterlijk 1 januari 2026 moeten alle pensioenregelingen aan het nieuwe kader voldoen.

Twee typen regelingen

In het nieuwe pensioenstelsel zijn twee typen premieovereenkomsten toegestaan:

  • het nieuwe pensioencontract;
  • de verbeterde premieregeling.

Nieuwe pensioencontract

Pensioendoelstelling en premie

In het nieuwe pensioencontract spreken sociale partners (of de beroepspensioenvereniging) een pensioendoelstelling af. En de benodigde premie om deze doelstelling te bereiken.

De deelnemer krijgt als arbeidsvoorwaardelijke pensioentoezegging een bepaalde premie. Sociale partners moeten regelmatig toetsen of de doelstelling met de afgesproken premie bereikbaar is. Is dit niet het geval, dan volgt aanpassing van de doelstelling of de premie.

Pensioenopbouw en pensioenuitkering

Een jaarlijkse vaste pensioenopbouw is niet langer het uitgangspunt. De pensioenopbouw in het nieuwe contract vindt plaats in de vorm van een voor de uitkering gereserveerd vermogen. Dit vermogen bestaat uit de premie, het beleggingsrendement en een bijdrage uit de collectieve solidariteitsreserve. Pensioenuitvoerders hoeven geen nominale pensioenverplichtingen meer aan te houden. Sturen op dekkingsgraden is niet meer nodig. De vertaling van het gereserveerde vermogen naar te ontvangen pensioenuitkeringen (naar verwachting) vindt plaats door de inzet van de projectiemethode. De projectiemethode houdt rekening met het projectierendement in de verschillende scenario’s (goed, verwacht, slecht). Deelnemers zijn vooraf op de hoogte dat het te ontvangen pensioen een verwachting betreft. Het projectierendement vervangt de huidige rekenrente en betreft een inschatting van het toekomstige rendement.

Deelnemers ontvangen een levenslange pensioenuitkering. Deze komt periodiek ten laste van het gereserveerde vermogen. Deelnemers delen onderling het langlevenrisico om te borgen dat iedereen een levenslange uitkering ontvangt.

Tijdens de uitkeringsfase van het pensioen bestaat de mogelijkheid om financiële mee- en tegenvallers over maximaal 10 jaar te spreiden en collectief toe te delen.

De ambitie is om vaker dan nu de pensioenuitkeringen te verhogen. De mogelijkheid bestaat voor pensioenfondsen om in overleg met sociale partners rekening te houden met toekomstige rendementen. Dit leidt tot een hogere pensioenuitkering op de pensioendatum. Maar met een risico van een lagere uitkering op een later moment. Andersom kan ook, een lagere uitkering bij de start en meer kans op verhoging verder in de tijd.

Beleggingsbeleid

Het collectieve beleggingsbeleid moet zijn afgestemd op de risicohoudingen van de leeftijdsgroepen op basis van het prudent personbeginsel. Er is sprake van een collectief belegd fondsvermogen. De verdeling van het fondsredement over alle gereserveerde vermogens en de solidariteitsreserve vindt plaats op basis van vooraf afgesproken toedelingsregels. Het rendement valt uiteen in twee onderdelen:

1. Het beschermingsrendement, bedoeld om renteschokken op te vangen. Het pensioenfonds bepaalt samen met sociale partners de mate van bescherming tegen het renterisico.

2. Het resterende collectieve rendement (na aftrek van het rendement onder 1). Verdeling gebeurt naar risicodraagkracht van deelnemers in lijn met hun risicohouding. De factor leeftijd is hierbij bepalend.

Solvabiliteitsreserve

Deze verplichte reserve betreft een collectief (niet toebedeeld) vermogen dat uit premies en/of overrendement bestaat. Doel van de reserve is het op evenwichtige wijze opvangen van risico’s binnen en tussem generaties. Ook hiervoor gelden vooraf opgestelde regels. Het fondsbestuur maakt met sociale partners afspraken over de reserve. Deze liggen vast in het pensioenreglement. Het gaat dan onder andere om: het niveau, het vullen van de reserve, regels voor het uitdelen, de omvang en de wijze van bijdragen aan de intergenerationele risicodeling en stabiliteit.

De bovengrens van de solidariteitsreserve is op 15% van het totale fondsvermogen. De bijdrage vanuit de premie mag maximaal 10% zijn. Hetzelfde geldt voor het overrendement.

Mee- en tegenvallers

Vooraf is de verdeling van het fondsresultaat over de deelnemers duidelijk en vastgelegd. Dit geldt ook voor het realiseren van de solidariteit binnen en tussen de generaties. Er dient sprake te zijn van een evenwicht tussen alle generaties op basis van vooraf gestelde toedelingsregels. De risicotoedeling geldt voor zowel goede als slechte tijden.

Toegankelijkheid verbeterde premieregeling voor bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen

Sociale partners kunnen naast het nieuwe pensioencontract ook kiezen voor een verbeterde premieregeling. Vanwege de overstap naar regelingen met een leeftijdsonafhankelijke premie, is de verbeterde premieregeling voor bedrijfstak- en beroepspensioenfondsen een bereikbaar alternatief. Dit betreft een aangepaste vorm van de bestaande verbeterde premieregeling.

In de nieuwe opzet van dit pensioencontract is het mogelijk meer risico’s te delen dan nu het geval is. Ook voor dit contract is de inzet van een solidariteitsreserve mogelijk met de effecten, zoals hierboven beschreven. Daarnaast is de optie om het microlangleven risico op individueel niveau met elkaar als deelnemers en pensioengerechtigden te delen. Dit heeft vooral positieve gevolgen bij kleine collectiviteiten.

Sociale partners kunnen op fondsniveau bepalen dat een variabele uitkering de standaard wordt voor alle deelnemers. Hierdoor wordt in de uitkeringsfase de kans op een verhoging van het pensioen vergroot.

Transitiekader

Wettelijk transitiekader

Het transitiekader vormt een belangrijk onderdeel van de invoering van het nieuwe pensioenstelsel. Aanpassing is aan de orde voor alle bestaande pensioenregelingen. Er komt een wettelijk kader voor de normering van het transitieproces. Dit wettelijk kader biedt tevens handvatten voor een zorgvuldige en evenwichtige ambitie.

Transitieperiode

Het kabinet streeft naar de inwerkingtreding van het wettelijk kader per 1 januari 2022. De transitie moet uiterlijk 1 januari 2026 zijn afgerond. In het wettelijk kader ligt vast welke mijlpalen sociale partners en pensioenuitvoerders in de tussenliggende periode moeten bereiken.

Transitie-, implementatie- en communicatieplan

De werkgever is wettelijk verplicht een transitieplan op te stellen. Bij een bedrijfstakpensioenfonds zijn dit sociale partners. In dit plan staat onder meer de keuze van het pensioencontract, de omgang met bestaande aanspraken en rechten, een overzicht van de effecten per leeftijdscohort alsmede de afspraken over en de financiering van een adequate compensatie.

Pensioenuitvoerders hebben de verplichting een implementatieplan op te stellen. Hierin besteden zij aandacht aan de uitvoerbaarheid, kosten en risico’s. Ook stellen zij verplicht een communicatieplan op. Dit plan gaat in op de informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden.

Invaren

Standaard invaren

In het wettelijk kader komt een standaard transitiepad voor het invaren van bestaande aanspraken en rechten (standaard invaren). Invaren betekent dat de regels van het nieuwe pensioencontract ook gaan gelden voor bestaande aanspraken rechten. In de wet liggen de rekenmethodes en parameters bij het invaren vast worden gebruikt.

De wetgever stelt een juridische sluitende onderbouwing voor het standaard invaren op, te gebruiken voor de decentrale sociale partners. Een pensioenfonds kan via een collectieve waardeoverdracht invaren. Een fonds kan gemotiveerd besluiten af te wijken van het standaard invaren, wanneer (bijvoorbeeld) deze methode tot een onevenredig nadeel voor belanghebbenden leidt. Hierover is afstemming nodig met sociale partners en de fondsorganen, zoals het verantwoordingsorgaan. Het pensioenfonds kan er ook voor kiezen om niet in te varen. Dit betekent niet dat het fonds geen adequate compensatieregeling hoeft te treffen. Deze is immers het gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en leeftijdsonafhankelijke pensioenopbouw.

Werkgevers, deelnemers en pensioengerechtigden krijgen via een versterkt bezwaarrecht van het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan inspraak op het invaarbesluit van het fonds.

Twee invaarmethoden

Het kabinet schrijft voor hoe bestaande aanspraken en rechten moeten worden omgerekend naar het nieuwe contract. Pensioenfondsen blijven echter verantwoordelijk voor een evenwichtige uitkomst. Pensioenfondsen hebben de keuze uit twee invaarmethoden:

Vba-methode

Deze (Value based-ALM) methode sluit aan op het ftk en de specifieke kenmerken van het fonds en is toepasbaar voor alle soorten regelingen. Deze methode is gebaseerd op het bepalen van alle pensioenuitkeringen aan alle deelnemers in een fonds onder alle mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Deze methode biedt een evenwichtige uitkomst in termen van netto profijt. Deze methode biedt pensioenfondsbesturen en sociale partners ruimte voor het vormgeven van de transitie. De overheid komt daarom met kaders voor niet-fondsspecifieke veronderstellingen.

Standaardmethode

In deze methode is sprake van een verdeling van een aanwezig tekort of overschot binnen het huidige ftk door vaststelling van een korting of opslag. Deze methode is eenvoudiger, maar er wordt minder rekening te houden met de specifieke fondskenmerken. In specifeke situaties is een groot verschil mogelijk met de uitkomsten volgens de vba-methode.

Adequate compensatie

Voor deelnemers die nadeel ondervinden voor het te verwachten pensioen bij een overstap naar een nieuw contract, moet een adequate en kostenneutrale compensatie komen. Dit vereist maatwerk op fonds- en regelingniveau. Deelnemers moeten inzicht krijgen in het pensioen van vóór en na de overstap. Per leeftijdscohort dient inzichtelijk te zijn wat de consequenties voor het pensioenresultaat zijn.  

Transitiecommissie

Er komt een tijdelijke landelijke transitiecommissie met een wettelijke taakopdracht voor het arbeidsvoorwaardelijke proces. Deze commissie krijgt een rol als mediator en kan – als partijen er niet uitkomen – bindende adviezen uitbrengen. Hierbij toetst de commissie marginaal of partijen in redelijkheid tot de gemaakte afspraken zijn gekomen. Dit betreft afspraken over de transitie zoals de contractkeuze en het invaren.

Fiscaal kader

Voor alle pensioencontracten is sprake van een maximale fiscale premiegrens. Bij de huidige inzichten is deze (voor de overheid) budgettair neutrale premiegrens minimaal 30% en maximaal 33% van de pensioengrondslag, exclusief kosten- en risico-opslagen.

Met deze maximale premie is het mogelijk een pensioenambitie van 75% van het middelloon in 40 opbouwjaren fiscaal te faciliteren.  Eens per vijf jaar herziet het kabinet de premiegrens. Bij tussentijdse schokken als gevolg van aanpassingen in de te gebruiken scenarioset van DNB, waardoor de premiegrens meer dan 5%-punt stijgt of daalt, vindt er direct een aanpassing plaats. Fiscaal komt er ruimte om voor de compensatieregelingen. Over een periode van tien jaar is het toegestaan meer premie in te leggen. Hiervoor reserveert het kabinet een budget van € 1 miljard. Dit komt op basis van de huidige inzichten neer op een verhoging van de fiscale premiegrens van 3%-punt. De premiegrenzen zijn dan tot 2036 33-36% van de pensioengrondslag.

Bestaande bijstort- en toeslagverplichtingen blijven fiscaal mogelijk. Deze regelingen behouden de fiscale ruimte voor op het transitiemoment opgebouwde aanspraken en rechten.

Juridische risico’s

Het kabinet heeft de juridische risico’s met betrekking tot het Europeesrechtelijke eigendomsrecht, het behoud van de verplichtstelling en gelijke behandeling onderzocht. Het kabinet concludeert op basis van de verkregen adviezen, dat deze risico’s beperkt zijn en dat het nieuwe pensioenstelsel juridisch houdbaar is.

Overige punten

Niet korten in 2021

Pensioenfondsen die op 31 december 2020 een dekkingsgraad hebben van meer dan 90% hoeven in 2021 geen korting van de aanspraken en rechten door te voeren.

Uitlegbaarheid

Bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is het van belang gebruik te maken van gelaagde informatie en begrippen, die bij de belevingswereld van deelnemers passen. Deelnemers krijgen geen extra individuele keuzemogelijkheden. De door de AFM gevraagde aandacht voor zorgplicht en keuzebegeleiding krijgt verdere invulling in de wet- en regelgeving.

Uitvoeringskosten

Volgens het kabinet gaat de overgang naar een nieuw stelsel gepaard met implementatiekosten. Deze overgang biedt echter ook kansen om te investeren in kostenbesparingen. Het kabinet merkt op dat het belangrijk is de kosten te relateren aan de winst die het nieuwe stelsel met zich mee kan brengen. Ook kijkt zij naar een eventuele BTW-vrijstelling voor uitbestede pensioenbeheerdiensten bij een keuze voor het nieuwe pensioencontract.

Lees hier het volledige artikelTerug naar Nieuwsoverzicht

Kunnen wij u helpen?

Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter.
Contact