Stand van zaken Wet toekomst pensioenen: artikelsgewijze behandeling

Stand van zaken Wet toekomst pensioenen: artikelsgewijze behandeling

6/12/2022

Afgelopen vrijdag en maandag heeft de artikelsgewijze behandeling van de Wet toekomst pensioenen (WTP) plaatsgevonden. Volgens een vast stramien werden de artikelen van de WTP langsgelopen en feitelijke vragen beantwoord. Het onthouden van een politiek oordeel bleek voor sommige Kamerleden een uitdaging.

Afgelopen vrijdag zijn met name het contract en de transitie aan de orde geweest. Hierbij werd onder andere ingezoomd op de vraag hoe het opheffen van de leenrestrictie zich verhoudt tot het prudent person beginsel. De minister verwees daarbij naar de (integrale) toezichttoets door DNB. Ook kwam aan de orde dat bij een pensioenregeling die met individuele instemming gewijzigd moet worden, de facto sprake is van een individueel bezwaarrecht ten aanzien van het invaren. De minister verwees hierbij naar haar reactie in een eerdere Kamerbrief en naar de arresten Mammoet/Stoof en IFF. De Tweede Kamer uitte opnieuw zorgen over mogelijke rechtszaken naar aanleiding van de WTP. Er werd daarom gevraagd naar een schorsende werking van rechtszaken voor onomkeerbare stappen in de transitie. De minister is niet voornemens dit op te nemen in de WTP.

Afgelopen maandag zijn de blokken ‘nabestaandenpensioen’ en ‘overig’ aan de orde geweest. Bij het nabestaandenpensioen werd verduidelijkt dat de eindleeftijd voor het wezenpensioen wettelijk wordt voorgeschreven op 25 jaar. Het is niet mogelijk om hiervan af te wijken. Suggesties om het nabestaandenpensioen - eventueel aanvullend - op een andere manier in te vullen, werden door de minister geparkeerd. Ze is bereid om te onderzoeken wat de gevolgen zijn van het mogelijk maken van restitutie. Ook de variant van een knip in het nabestaandenpensioen, zoals genoemd in het Netsparonderzoek over nabestaandenpensioen, wil de minister bij verder onderzoek meenemen. Een terugkoppeling hierover wordt meegenomen bij het wetsvoorstel Keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen, waarvoor naar verwachting in het voorjaar van 2023 een consultatie plaatsvindt.

Tijdens het blok ‘overig’ kwamen diverse onderwerpen aan de orde. De minister bevestigde onder meer dat op basis van de huidige cijfers de fiscaal maximale premiegrens tot 1 januari 2037 30% blijft. Alleen bij schokken die leiden tot een aanpassing van ten minste 5% is een eerdere aanpassing aan de orde, op zijn vroegst per 1 januari 2027. Een herrekening op basis van het advies van de commissie parameters wordt nog uitgevoerd om na te gaan of ook dan het schokmechanisme ten aanzien van de fiscaal maximale premie niet direct toegepast moet worden. Ook kwam de minister terug op de vraag in hoeverre uit de IORP-regelgeving volgt dat een pensioenfonds een Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) moet aanhouden, ook als het alle biometrische risico’s heeft herverzekerd. Daarnaast ging de minister in op keuzebegeleiding, waarbij ze meermaals herhaalde dat een pensioenfonds geen financieel advies mag geven, maar wel keuzebegeleiding moet bieden die aanzet tot handelen. Vanuit deze logica komt er ook geen verplichting voor pensioenfondsen om uitvraag te doen over de persoonlijke financiële situatie.

De positie van ZZP’ers kreeg ook ruimschoots aandacht. Daarbij liepen de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting en de experimenteerruimte af en toe door elkaar. De Kamerleden vroegen meermaals te overwegen om vrijwillige voortzetting voor ZZP’ers mogelijk te maken tot pensioendatum. De minister acht dat niet wenselijk, omdat bij een langere termijn dan 15 jaar de kans dat de ZZP’er niet meer in de sector werkzaam is toeneemt. Ook werd gevraagd naar mogelijkheden om de pensioenopbouw partieel voort te zetten, maar ook daarvoor ziet de minister geen ruimte. Bij de ZZP-experimenten is hiervoor meer ruimte. Daarbij geldt wel dat bij ZZP-experimenten de werkzaamheden van de ZZP’er moeten vallen onder de verplichtstelling van het pensioenfonds. Het pensioenfonds toetst dit bij aanvang. De SBI-code(s) volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel zijn hiervoor leidend. Er werd gezamenlijk geconstateerd dat hierbij mogelijk knelpunten optreden als de datavisie van het ministerie van Economische Zaken (EZK) vertaald wordt in wetgeving. De minister is hierover in gesprek met EZK.

Tot slot werd gevraagd naar de situatie van jonge deelnemers in een pensioenregeling waarop het overgangsrecht progressieve premie wordt toegepast. Voor jonge deelnemers lijkt het gunstig om uit dient te gaan en gelijk weer in dienst te treden bij dezelfde werkgever. De minister en haar ambtenaren houden vast aan de visie dat voor het overgangsrecht progressieve premie wordt gekozen als dit passend is voor de hele groep en dat de geschetste situatie daarvan dan een logische consequentie is. Het wordt niet mogelijk en wenselijk geacht om onderscheid te maken in leeftijdsgroepen waarvoor wel of niet gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht of om hiervoor een leeftijdsgrens te stellen. Er werd jammer genoeg niet ingegaan op het scenario waarin de werkgever de jongere werknemers een vrijwillige keuze biedt tussen de geëerbiedigde pensioenregeling met een leeftijdsafhankelijke premie en een pensioenregeling met de nieuwe leeftijdsonafhankelijke premie.

Bron: Tweede Kamer - Debat Gemist, 2 en 5 december 2022.

Door op “Accepteren” te klikken, stemt u in met het opslaan van cookies op uw apparaat om de navigatie op de site te verbeteren, het gebruik van de site te analyseren en te helpen bij onze marketingactiviteiten. Bekijk onze Privacy Policy en Cookie Beleid voor meer informatie.