Verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid voor de ZZP-er

Verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid voor de ZZP-er

9/4/20

Inleiding

In het in juni 2019 afgesloten pensioenakkoord is afgesproken dat er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering gaat komen voor zelfstandigen zonder personeel (de ZZP-er). ZZP-organisaties verzetten zich tegen de verplichte verzekering en wilden liever de basisverzekering voor alle werkenden. Ook de commissie Borstlap pleit in haar rapport “In wat voor land willen wij werken” daar en tegen voor een basisverzekering voor het risico van inkomensverlies voor alle werkenden. Deze basisverzekering zou arbeidsvorm neutraal moeten zijn.  De achterliggende gedachte is dat aan elke werkende basis-inkomenszekerheid wordt geboden.  Onlangs heeft staatssecretaris van Sociale Zaken echter de knoop doorgehakt en gekozen voor een verplichte verzekering voor ZZP-ers. Hiermee komt hij de afspraak uit het pensioenakkoord na.

Keuze voor zekerheid
Op 3 maart 2020 is de stichting van de arbeid met een voorzet gekomen voor de verplichte verzekering bij arbeidsongeschiktheid. In het rapport “Keuze voor zekerheid” worden de contouren geschetst van deze verplichte verzekering. Met deze verzekeringsplicht wordt een gat gedicht in de sociale zekerheid zo betoogt de stichting.

Voor wie ?
De verzekering gaat gelden voor zelfstandigen. Dit zijn in het voorstel de volgende groepen:

• Zelfstandige ondernemers zonder personeel met winst uit onderneming

• Beroepsbeoefenaren (met resultaat uit overige werkzaamheden)

• Directeur-grootaandeelhouders zonder personeel

• Meewerkende echtgenoten.

De verzekering is dus gericht op de ZZP-er. Of deze nu werkt in de fiscale vorm van een éénmanszaak, resultaat uit overige werkzaamheden geniet of werkt via een BV maakt niet uit. Het ontbreken van een personeel maakt de zelfstandige verzekeringsplichtig. Zelfstandigen die in een later stadium personeel in dienst nemen, kunnen er voor kiezen om verzekerd te blijven.
Om te voorkomen dat de verplichte verzekering op eenvoudige wijze kan worden omzeild, door bijvoorbeeld iemand voor 1 uur per week in dienst te nemen, is pas sprake van personeel wanneer er substantiële arbeid wordt verricht. Substantiële arbeid betekent dat er door de werknemer (s) gemiddeld meer dan 8 uur betaalde arbeid wordt verricht.

Verzekerd bedrag, premie, wachttijd en einddatum
Het voorstel voor de verplichte verzekering houdt het volgende in:

• Elke zelfstandige verzekerd zich voor het risico van arbeidsongeschiktheid ter grootte van 70% van het laatst verdiende inkomen met een maximum inkomen van circa € 30.000. De maximale uitkering wordt hiermee bruto € 1.650 per maand. Dit is 100% van het wettelijk minimum loon.

• De premie wordt naar schatting bij een wachttijd van 52 weken, 8% van het verzekerd inkomen. Bij een verzekerd inkomen van € 30.000 wordt de jaarpremie dan € 2.400. Of wel € 200 per maand.  Een verzekerd inkomen is nog geen verzekerde uitkering, deze ligt op 70% van het verzekerd inkomen. De premie wordt hiermee dan ook 11,4% van de verzekerde uitkering.

• De premie is fiscaal aftrekbaar. Bij het toptarief van 49,50% bedraagt het netto-effect op het inkomen, dan € 101 per maand. Bij het tarief van 37.35% is het netto-effect, € 125 per maand.

• De uitkering is belast in box I.

• Het standaard eigen risico bedraagt 52 weken met een keuze mogelijkheid om dit aan te passen naar 26 weken of 104 weken. De keuze dient bij aanvang van de verzekering te worden gemaakt, tussentijds wisselen van de wachttijd is niet mogelijk. Bij een korte wachttijd wordt de premie hoger dan 8%, bij een langere wachttijd wordt de premie lager. Met hoeveel wordt niet vermeld.

• De verzekering loopt standaard tot het bereiken van de AOW-leeftijd. Ook de premiebetaling vindt plaats tot aan AOW-leeftijd. Ongeacht de wachttijd. Dit betekent dat er bij een wachttijd van 2 jaar, gedurende de laatste twee jaar voor AOW-leeftijd, premie wordt betaald zonder dat er dekking is.

Gangbare arbeid
Het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WIA wordt gehanteerd, gangbare arbeid. Hierbij wordt rekening gehouden met alle werkzaamheden die de zelfstandige nog uit kan voeren. Hiermee wordt bevorderd dat zoveel mogelijk mensen weer gaan werken.

Uitvoeringsinstantie en premie-inning

• De verplichte verzekering wordt uitgevoerd door het UWV. Het UWV verzorgt claimbeoordeling, uitkeringsverstrekking en re-integratie. De re-integratie begint zodra de wachttijd ingaat. Binnen zes weken moet er een re-integratie verslag gemaakt worden en binnen acht weken moet er een plan van aanpak vastgesteld worden.  Twee weken voor aanvang van de uitkering volgt een keuring.

• De belastingdienst is verantwoordelijk voor de premie-inning. De definitieve vaststelling van de premie vindt plaats nadat de belastingaangifte is gedaan. Via renseignering geven verzekeraars aan de belastingdienst aan welke de verzekerden een private AOV hebben zodat de belastingdienst hier geen premie behoeft te heffen.

Aanvullende verzekering
Het maximaal verzekerd bedrag bij de verplichte verzekering is circa € 21.000. Dit zal voor veel ZZP-ers onvoldoende zijn om het inkomen na arbeidsongeschiktheid op het gewenste niveau te houden. De zelfstandigen kan zelf kiezen of zij zich bovenop de standaardverzekering nog aanvullend verzekeren. Dit kan via een private aanvullende verzekering. In het rapport wordt ook aangegeven dat het niet gewenst is dat er twee uitvoerders zijn, (een publieke uitvoerder en een private uitvoerder). De ZZP-er krijgt dan te maken met twee administratieve systemen en ook de re-integratie wordt hiermee ingewikkelder waardoor een aanvullende verzekering niet aantrekkelijk wordt. Dit vindt men niet gewenst en commerciële verzekeraars concluderen op basis hiervan dan ook dat na invoering van de wet een private verzekering afgesloten kan worden mits de dekking het niveau van de verplichte verzekering overstijgt.
Voor de moeilijk verzekerbare gevallen, voorziet de stichting van de arbeid mogelijkheden voor een Onderling Waarborgfonds met acceptatieplicht

Eerbiedigende werking voor op 3 maart 2020 bestaande verzekeringen
Zelfstandigen kunnen er voor kiezen om een andere passende arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten mits deze verzekering voldoet aan voorwaarden. Bestaande arbeidsongeschiktheidsverzekeringen worden geëerbiedigd mits zij voor de peildatum afgesloten zijn. De peildatum is de datum van publicatie van dit voorstel, 3 maart 2020. De controle zal dan waarschijnlijk plaatsvinden op basis van de belastingaangifte 2020. Geen of een beduidende lagere aftrek voor een AOV in 2020 ten opzichte van de aftrek in de volgende jaren is, een indicatie dat er per 3 maart 2020 geen bestaande AOV is. De belastingdienst geeft echter aan pas definitief te kunnen oordelen over de uitvoerbaarheid op basis van een uitvoeringtoets bij een uitgewerkt voorstel. In de praktijk lijkt hiermee een controle door de belastingdienst of er sprake was van een per 3 maart 2020 bestaande verzekering onuitvoerbaar.

Bovendien is een dergelijke vroege peildatum bijna 4 jaar voor de beoogde invoering hoogst ongebruikelijk.Vanuit de fiscale wetgeving kennen wij peildata die gaan lopen bij de introductie van een concreet wetsvoorstel en niet zoals nu bij de publicatie van een rapport.

Voorwaarden voor alternatief bij verzekeraar
De voorwaarden waaraan een alternatief bij een private verzekeraar moet voldoen zijn:

• het arrangement mag geen uitholling van de publieke verzekering veroorzaken en de publieke premie mag niet worden opgedreven, m.a.w. door anti-selectie mag het publieke bestel (het UWV) niet met de slechte risico’s achterblijven

• de alternatieve regeling moet handhaafbaar en uitvoerbaar zijn

• er moeten waarborgen zijn voor toegankelijkheid

• het risico op arbeidsongeschiktheid moet net zo goed afgedekt tot aan AOW-leeftijd als bij de standaarduitvoering voor minimaal dezelfde premie

• vermogen en of partner inkomen kunnen niet gezien worden als alternatief arrangement

Het is voor een verzekeraar op basis van deze voorwaarden niet mogelijk om een verzekering aan te bieden tegeneen lagere premie dan € 200 per maand. Het lijkt wel toegestaan om voor een premie van € 200 per maand een tenminste gelijkwaardige en hiermee dus ook een veel betere dekking aan te bieden.
Indien veel ZZP-ers er voor kiezen om bij een private verzekeraar het risico voor arbeidsongeschiktheid te verzekeren, zal dit er toe leiden dat het publieke bestel met de slechte risico’s blijft zitten. Dit heeft een prijsopdrijvend effect op de premie voor het publieke bestel. In dat geval zal de premie voor het publieke bestelkunstmatig moeten worden gestabiliseerd, te financieren vanuit een opslag op de private verzekering.

Premie bij de huidige arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
We hebben de premies van een private verzekeraar met een uitkering van € 21.000,-- per jaar, een wachttijd van 52 weken en een eindleeftijd van 68 jaar vergeleken met de premies van de verplichte verzekering. Wij hebben de premievergelijking gemaakt voor een 45 jarige met een beroep in klasse 1 (actuaris) en in klasse 4 (binnenvaartschipper). Ook hebben wij de vergelijking gemaakt met twee verschillende arbeidsongeschiktheidscriteria, passende arbeid en beroepsarbeidsongeschiktheid. Private verzekeraars bieden een verzekering op basis van het criterium gangbare arbeid niet of nauwelijks aan.






De ZZP-er in beroepsklasse 1, 2 en 3 zal in veel gevallen bij de private verzekeraar beter af zijn, zowel qua premie als qua arbeidsongeschiktheidscriterium.  Er wel vanuit gaande dat de medische waarborgen niet leiden tot een premieverhoging of uitsluiting. Premieverhoging of uitsluiting is bij de verplichte verzekering niet mogelijk, vandaar dat men om anti-selectie tegen te gaan de verzekering verplicht gesteld heeft. De vrees voor anti-selectie is waarschijnlijk ook de reden om te bepalen dat alleen per 3 maart 2020 bestaande verzekeringen, geëerbiedigd blijven. Dit om te voorkomen dat de ZZP-ers in de lagere risicoklassen voor de invoering van dit voorstel een AOV tegen lagere premie, een private verzekering afsluiten. Wanneer de ZZP-er echter kiest voor een private AOV met tenminste een maandpremie van € 200,-- met een hoger verzekerd bedrag kwalificeert deze verzekering zich als tenminste gelijkwaardig aan de publieke AOV en wordt deze verzekering alleen al op grond van de wens om geen twee uitvoerders te hebben geëerbiedigd.

Conclusie
De verplichte verzekering voor het risico van arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen gaat er komen. Het criterium gangbare arbeid bij een premie van 8% van het verzekerd inkomen en 11,4% van de verzekerde uitkering met een wachttijd van 52 weken maakt deze verzekering ten opzichte van de gemiddelde private arbeidsongeschiktheidsverzekering erg duur. Ook hier is er sprake van opgelegde solidariteit tussen alle zelfstandigen.

Voor zelfstandigen met een reeds bestaande private verzekering per 3 maart 2020 geldt eerbiedigende werking, het lijkt erop alsof deze groep tegen een lagere premie een betere dekking kan blijven behouden. Voor degene die later een arbeidsongeschiktheidsverzekering afsluiten lijkt een lagere premie op grond van de peildatum van 3 maart 2020 niet mogelijk. Een dergelijke ten opzichte van de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2024 zeer vroege peildatum is ongebruikelijk. Ook de controle op het al bestaan van een dergelijk verzekering door de belastingdienst is een lastige en mogelijk niet uit te voeren taak. In de praktijk zal blijken hoe hard de datum van 3 maart 2020 voor de eerbiedigende werking zal zijn, wellicht wordt de soep niet zo heet gegeten.

De private verzekeraar kan in het nieuwe bestel, maar zeker ook nu al een grote rol en exclusieve rol spelen bij verzekering van een inkomen boven de € 30.000. De dekking kan dan ook direct op het niveau van beroepsarbeidsongeschiktheid gebracht worden. Bij een anti-selectie waarbij het publieke bestel met de slechte risico’s blijft zitten, zal de private verzekerde ZZP-er er wel rekening moeten houden met een premie-opslag.

Bron: Montae & Partners

DownloadTerug naar Nieuwsoverzicht

Kunnen wij u helpen?

Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter.
Contact