Wet bedrag ineens

Wet bedrag ineens

8/12/19

“Het pensioenakkoord de terugkeer van de VUT ?”  schreven wij al over de introductie van een versoepeling in de RVU-vrijstelling en de verruiming van het verlofsparen. Deze elementen uit het pensioenakkoord hebben samen met de mogelijkheid tot afkoop van een gedeelte van het pensioen een plaats gekregen in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen.

Het is de bedoeling dat de mogelijkheid tot afkoop, het bedrag ineens na goedkeuring door het parlement zo snel mogelijk in werking treedt. Dit kan dus al in 2020. De beoogde invoeringsdatum voor de RVU-vrijstelling is 1 januari 2021.

De uitkering van het bedrag ineens geldt voor pensioen maar ook voor lijfrente. Het geldt niet voor een OudeDagsVerplichting (ODV). Indien de ODV echter geheel of gedeeltelijk afgestort is in een lijfrente, geldt voor dit gedeelte het lijfrenteregime. En hiermee ook de mogelijkheid tot uitkering van een bedrag ineens.

Aanpassingen
De uitkering van een bedrag ineens komt wettelijk overeen met afkoop. Om de uitkering van het bedrag ineens zonder sanctie mogelijk te maken moet de Pensioenwet en de wet Loonbelasting aangepast worden. Voor de lijfrente is aanpassing van de Wet Financieel toezicht en de wet Inkomstenbelasting noodzakelijk. De uitkering van het bedrag ineens is mogelijk onder de volgende voorwaarden.

1. Het bedrag ineens is maximaal 10% van de waarde van het pensioen of de lijfrente

2. de uitkering vindt plaats op ingangsdatum van het pensioen of de lijfrente

3. indien er sprake is van pensioen mag ook niet nog eens gekozen worden voor een hoog:laag constructie

4. na afkoop dient het resterende pensioen of lijfrente hoger te zijn dan de afkoopgrens.

Wanneer aan deze voorwaarden voldaan is de uitvoerder (pensioenfonds, pensioenverzekeraar, lijfrenteverzekeraar, bancaire instelling) verplicht mee te werken aan de partiële afkoop.

Financiële gevolgen
De uitkering van het bedrag ineens kent geen begunstigd fiscaal tarief. Het bedrag is regulier belast in box-I.  Dit kan het uitkeren van een bedrag ineens fiscaal een kostbare zaak maken, zeker wanneer de pensioeningangsdatum aan het eind van het kalenderjaar ligt. Immers in dat jaar wordt er nog een salaris genoten en vervolgens wordt er bovenop dit salaris nog eens bedrag ineens uitgekeerd. Dit bedrag zal wellicht belast zijn tegen het hoogste tarief van 49,5%. Terwijl de reguliere pensioenuitkering onder dit bedrag bleef. Dit nadeel kan dan wellicht gedeeltelijk weer weggepoetst worden door middeling met de lagere pensioeninkomens in de volgende jaren.  Ook kan de uitkering van het bedrag ineens er toe leiden dat allerlei toeslagen en kortingen misgelopen worden. Zo zal het toetsinkomen voor de huurtoeslag hoger zijn. Ook het inkomen voor de inkomensafhankelijk zorgbijdrage wordt hoger, hetgeen weer kan leiden tot een lagere zorgtoeslag.  

Is het inkomen in het jaar van ontvangst van het bedrag ineens nihil of zeer laag dan kan het bedrag ineens een welkome aanvulling. In veel andere situaties is het bedrag ineens een fiscaal niet zo’n aantrekkelijke optie. Dit wordt anders wanneer de fiscaliteit een minder grote rol speelt en de verwachting van de pensioengerechtigde is, dat de levensverwachting niet verslagen wordt. In dat geval kan vanuit de gedachte “hebben is hebben” tot afkoop overgegaan worden. Het totaal van de ontvangen uitkeringen is dan uiteindelijk hoger dan bij een reguliere afwikkeling. Al blijft het verschil bij afkoop van slechts 10% van de waarde klein.

Conclusie
Een bedrag ineens klinkt heel mooi. In de praktijk zal, zo is onze verwachting door het beperkte percentage van 10%, gekoppeld aan de mogelijke nadelige fiscaliteit en het mogelijk tijdelijke mislopen van allerlei toeslagen en onmogelijkheid om nog van hoog:laag gebruik te maken, weinig gebruik van gemaakt worden.



Bron: Montae & Partners, naar aanleiding van het Wetsvoorstel: Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen

Lees hier het volledige artikelTerug naar Nieuwsoverzicht

Kunnen wij u helpen?

Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter.
Contact